
Het verdriet in zijn fletse ogen is immens. Ik herkende hem amper, terwijl ik hem gadesloeg in de spiegel tegenover mij bij het licht van een brandende kaars. Verdriet dat tot dan toe voor hem verborgen was geweest, doch zijn lange leven lang voor iedereen zichtbaar moet zijn geweest, zo stel ik mij voor.
Nu het alles verzengende vuur van zijn woede oplost in eenzaamheid en dooft in een spiegel van duister water, vind hij zichzelf terug, alleen en kwetsbaar, zo als hij zich dat voorgesteld heeft in de tijden van de woest in het rond flakkerende vlammen van zijn onvermogen om tot rust te komen.
Nu is de tijd daar voorwaarts te gaan! Eindelijk begrijpt hij de betekenis van de scheur in de muur in zijn kamer, die daar al meer dan tien jaar vanaf de vloer omhoog torent door het niet meer zo witte pleisterwerk tot aan het plafond.
Veranderingen komen vaak onaangekondigd lijkt het en op een moment dat men het eigenlijk niet meer verwacht, maar zal hij de kracht en moed hebben tot het einde door te zetten en kunnen wennen aan een leven dat niet langer beheerst wordt door woede en verdriet?

