Een zoektocht

 

 

Er was er eens een kleine grijze spitsvondige muis. Daar hij het in zijn nest niet naar zijn zin had trok hij er op uit. Nadat hij zijn holletje verlaten had en de nodige gevaren had moeten trotseren, kwam het op een dag een kat tegen. Het met kat bedoel ik ook echt KAT. Alleen het muisje zag het niet, het zag alleen de schoonheid van de kat. Ze had een diep zwarte glanzende vacht, was jong en had intens groene grote ogen die onderzoekend de wereld in keken. Op één van hun nachtelijke zoektochten kwamen ze elkaar tegen. Al was het muisje vel over been, dacht de kat mmmm, wat een lekker hapje, dat muisje. Haar hypnotiserende ogen zogen het muisje als het ware haar leven in. En wat nooit had mogen gebeuren gebeurde toch, het muisje voelde zich enorm aangetrokken tot de grote zwarte kat. Maar de kat wilde alleen spelen en alleen háár spel. Na een tijdje werd het spel minder leuk en minder leuk. Het muisje trok zich terug in zijn holletje dat hij onlangs gevonden had en wilde er niet meer uit. De kat wist zijn holletje helaas te vinden en zo nu en dan ging zij voor zijn holletje liggen spinnen en keek met haar grote groene lichtgevende ogen naar binnen, tot het muisje, overmand door verlangen voorzichtig naar buiten kroop om haar te begroeten. Nooit, nooit een goed idee. Uiteindelijk, nadat het spelletje steeds wilder en gemener werd, liet de felle kat het muisje voor dood achter in de ingang van zijn holletje.

Het muisje werd gevonden, verzorgd en knapte op. Hij trok opnieuw de wijde wereld in, op zoek naar geluk. Nooit een goed idee. Het leven werd er zeker niet makkelijker op, maar het muisje leeft nog steeds, veel en veel langer dan verwacht werd.

Voor iedere probleem is een oplossing, alleen is oplossing vaak een andere dan die je zocht, maar is het dan nog een oplossing? Problemen leiden tot vragen, vragen tot leiden via onderzoek tot antwoorden. Antwoorden die weer tot nieuwe vragen leiden en vaak nieuwe problemen opwerpen.

Volwassen worden en op eigen benen leren staan, Carl Jung noemt dit het proces van individuatie, is iets waar we alleen aan beginnen uit noodzaak, volgens hem. Het is het spel van vraag en antwoord dat tot in de oneindigheid gespeeld moet gaan worden. Soms lijkt het misschien een beter idee veilig in je holletje te blijven en de wereld om je heen de wereld buiten je te laten.

wat zal ik zeggen

 

Het is een heldere, maar maanloze, rustige nacht nu schipper Briny vanaf de brug met zijn verrekijker omhoog tuurt naar het diep diep donkerblauwe uitspansel boven hem. En zoals hij dit wel vaker doet denkt hij daarbij : eens kijken of ik God kan zien. Terstond realiseert hij zich ook weer de dwaasheid van deze gedachte.

Toch, er is een oud gezegde – dat ik helaas niet heb kunnen plaatsen of dateren – dat ik tegenkwam in een boek van de hand van Aniela Jaffé over het werk van Carl Gustaf Jung dat luidt:  de eerste slok uit de beker der kennis scheidt de mens van God, maar op de bodem wacht God op degene die hem zoekt. In het onderhavige geval een zoektocht die al mijn hele leven voortduurt.  Bovendien valt het zoeken naar God wat mij betreft samen met de eeuwige en steeds weer terugkerende zoektocht naar de ultieme waarheid, waarmee niet op voorhand al gezegd is dat dat hetzelfde is. In mijn voorlaatste blog bestuiving verkende ik het veld van het onbewuste als God, waarbij God en het onbewuste op een voor de mens onkenbaar niveau, twee verschillende grootheden zullen blijken te zijn.

Op dit moment dwalen mijn gedachten af naar Socrates en zijn laatste slokken uit de beker met gif.  Het zal die beker zijn. Tijdens een van de apogeums van waarheidsliefde, die mijn leven tot nu toe rijk is, kreeg ik de op dat moment net uitgegeven verzamelde werken van Plato in een nieuwe, Belgische, vertaling.  Helaas zijn al mijn pogingen dit lijvige werk volledig te doorvorsen tot nu toe gestrand in de vertaling waarbij gepoogd is dicht bij de stijl en vorm van de originele teksten te blijven, wat een voor mij onleesbare stijl heeft opgeleverd. Een van de teksten die ik wel verslonden in die dagen heb bevat die over het vermeende leven van de, ook alweer vermeende Socrates. Waar ben ik deze onzekerheid omtrent het wel of niet bestaan hebben van een spirituele grootheid eerder tegengekomen? Opgetekend door een van zijn studenten, de niet geheel onbekende, mag ik hopen, Plato, rijst de vraag wie er aan het woord is in Plato’s teksten Apologie en Symposium. Socrates’ bijnaam in die dagen was de horzel van Athene. Ergens in mijn achterhoofd hoor ik weer de stem van dat andere genie, Eric Idle, zeggen: “need I say more? wink, wink”.

Terug naar die tijd van getrouwe waarheidsliefde, het was de aanvang van de jaren tachtig van de vorige eeuw,  dat mijn interesse in Socrates en zijn methode om medeburgers in Athene op een, minstens intellectueel doortrapt te noemen, wijze van redeneren, van hun zelfverkozen voetstuk af te brengen, die een zeker dorst naar kennis en omtrent filosofie deed ontvlammen. ‘s Nachts zwierf ik door de grote stille donkere eenzame binnenstad,  langs de grote rivier die haar doorsneed  en had daar mijn talloze gedachtewisselingen met God. Voor een jonge knul, die door zijn ouders nauwgezet en onophoudelijk was opgevoed in het atheïstische gedachtegoed van de moderne heiden, was dit een ontzagwekkende, numineuze stap.

Helaas weet ik 45 jaar na dato nog steeds niet wie of wat God is, als er al iets bestaat dat die naam dragen kan. In weerwil van alle mensen die ik persoonlijk gekend heb, die, net als de vele teksten handelend over dit enigma die ontkennen dat er zoiets als een God is, én ondanks alle verwoede pogingen mijnerzijds in dezelfde richting, heb ik nog steeds een rotsvast vertrouwen in God, of in ieder geval zijn aanwezigheid. Of het nu Tao is, de één of andere heilsleer of de momenten dat Jung deze discussie aanstipt in één van zijn vele gebundelde essays, het blijft mij bovenmatig fascineren. Echter, het is veel meer dan een intellectuele oefening, het is mijn diepste en meest innerlijke, onverwoestbare drive, die mij beurtelings door dit leven sleept, voortduwt, trekt, schopt, mij soms koestert en dan mijn wonden verzorgd. Ik heb geen idee waarom dit zo is en of er nog veel of weinig lotgenoten rondwaren in deze dagen van wat wel “the Almigthy information highway” wordt genoemd.

Zoals ik als jongeling dagen of nachten lang mijn onophoudelijke vriendschappelijke dialectische dialogen beleefde met God, zo heb ik nu een periode achter de rug, die veel te lang heeft geduurd, waarin ik ruzie met God maakte en met hem in debat trad en met hem streed alsof ik Job zelf was, overigens zonder zelf Job’s reine en zuivere natuur te bezitten. Hoewel ook ik mij dagelijks overgeef aan een niet aflatende en te stoppen stroom van kritiek op de manier waarop mijn buren en mede stadgenoten hun tijd trachten te verdoen.  Meermalen hoorde ik om mij heen goedbedoelde waarschuwingen en raadgevingen, dat ik mijn strijd met God, alleen tegen het gehele universum en de hele schepping, nooit zou  gaan winnen. Dat leek en lijkt mij zelf ook een open deur. Helaas een open deur die ik graag dagelijks meermalen in een hoge frequentie dicht smeet.

Na deze eenzame en niet geziene helletocht heb ik nu sinds enkele dagen het gevoel of de idee dat ik wat dit betreft in rustiger vaarwater terecht gekomen ben. Men moet mij nog steeds, op geen enkele wijze, geen strobreed in de weg leggen, maar met inachtneming van de persoonlijke voorwaarden, grenzen en mogelijkheden, die ik gelukkig ontdekt heb, zijn er momenten dat ik zo nu en dan een bleek schijnsel ontwaar aan het eind van deze duistere en toch wel benauwende tunnel waartoe mijn leven verworden is.

Staand op mijn balkon in de vroege ochtend, kijkend naar de vele sterren met mijn verrekijker, in deze stad die nooit slaapt en toch niks anders wil, heb ik dan zo mijn momenten dat ik denk dat het mogelijk moet zijn God te zien. Wie weet ga ik dan weer van Hem of Haar houden, zoals ik dat in de eerste levensfase van dit, toch wel zwaar getroebleerde, leven deed. Hopelijk kom ik nog tot een verlossend inzicht en oordeel voordat het te laat is en het moment waarop ik mijn pijp – iedere authentieke zeeman rookt toch een pijp lijkt mij –  aan Maarten geef en wie weet, eindelijk God zal ontmoeten. Wat zal ik zeggen?

bestuiving

 

Meestal is het één van de grote Nederlandse supermarkten die boodschappen aflevert in mijn keuken, maar gisterenochtend zat dit Meeldauwlieveheersbeestje, het heeft zestien stippen, op een van de tegels boven de aanrecht in mijn keuken. Het lieveheersbeestje staat in veel culturen bekend als een brenger van harmonie en geluk. Dit oranje gekleurde lieveheersbeestje staat daarnaast als een bestuiver ook bekend in de spirituele wereld als een brenger van een boodschap van God, bescherming vanuit de kosmos en de bevestiging dat jouw transformatie gewaardeerd wordt. Een mooi moment om een aantekening van de avond ervoor te delen.

Stel nu dat het enige wat je als een soort God in de traditionele betekenis van het woord zou kunnen beschouwen de natuur is, niet meer en niet minder dan dat, dan voortplanting, adaptatie en overleven. Dat al het andere metafysische en magische projecties en handelingen zijn die voortkomen uit het onbewuste als een manier van zijn en een reactie op de manier waarop het bewustzijn van een individueel opgroeiend in het nu levende mens. Dat de enige wetten die er zijn of er echt toe doen de wetten van de natuur zijn. Stel nu dat alles is vervat in archetypes, die de dominanten zijn van datzelfde onbewuste. Stel nu dat het enige dat kan worden aangemerkt als een gezaghebbende machtige God, die wikt en weegt en beslist over het lot van de op aarde aanwezige stervelingen, het eeuwige, ondeelbare, uiteindelijk oppermachtige onbewuste is, dat bepaalt of jouw leven zich ontwikkeld als in een hel of in een hemel, al naar gelang de manier waarop jouw individuele bewustzijn omgaat met de aanwezigheid van dit eeuwige in jou in de vorm van een onbewuste?

verdriet

 

Het verdriet in zijn fletse ogen is immens. Ik herkende hem amper, terwijl ik hem gadesloeg in de spiegel tegenover mij bij het licht van een brandende kaars. Verdriet dat tot dan toe voor hem verborgen was geweest, doch zijn lange leven lang voor iedereen zichtbaar moet zijn geweest, zo stel ik mij voor.

Nu het alles verzengende vuur van zijn woede oplost in eenzaamheid en dooft in een spiegel van duister water, vind hij zichzelf terug, alleen en kwetsbaar, zo als hij zich dat voorgesteld heeft in de tijden van de woest in het rond flakkerende vlammen van zijn onvermogen om tot rust te komen.

Nu is de tijd daar voorwaarts te gaan! Eindelijk begrijpt hij de betekenis van de scheur in de muur in zijn kamer, die daar al meer dan tien jaar vanaf de vloer omhoog torent door het niet meer zo witte pleisterwerk tot aan het plafond.

Veranderingen komen vaak onaangekondigd lijkt het en op een moment dat men het eigenlijk niet meer verwacht, maar zal hij de kracht en moed hebben tot het einde door te zetten en kunnen wennen aan een leven dat niet langer beheerst wordt door woede en verdriet?

een niet aflatende zoektocht

 

Onwetend dwalend door het donkere woud op zoek naar een open plek van waaraf ik de heldere met sterren bezaaide nachtelijke lucht kan zien, om een glimp van de hemel te ontwaren en zo de oneindigheid van de kosmos en het zijn te aanschouwen. In de hoop dit wonder te creëren verwierf ik mij een sterrenkijker, maar het was te vaak bewolkt, of psychisch en fysiek te zwaar om eropuit te gaan. Bovendien onder de druk van het gevoel bekeken en in de gaten gehouden te worden, is het slechts drie keer gelukt de lichtpuntjes in het duistere firmament gade te slaan, vanaf moeder aarde, die mij stevig in haar greep vasthoudt, terwijl ik door het universum rond tol.

Geen weg omhoog, terug naar huis, maar in tegendeel een afdaling in de krochten van mijn aanwezigheid hier, in een tevergeefse zoektocht mijn dierbare ziel te hervinden, die zo schijnt het mij toe, een eeuwigheid geleden mij ontvallen is. Vaak moedeloos zwerf ik rond op deze door God ogenschijnlijk reeds lang verlaten planeet. Dan weer stort ik in een gitzwarte afgrond of val ik overweldigd door een ontijdige alles wissende zware slaap boven mijn boeken in slaap.

Waar is toch het pad tussen die rozen vol doornen naar het toppunt van gelukzaligheid gebleven? Eens, lang geleden als jongeling beliep ik haar dagelijks, onvermoeibaar, zonder te slapen was ik gefocust op dit apogeum, dat zo scheen het mij toen voor, nog in dit leven te bereiken was. Helaas het liep anders. Tijdens mijn klim op de berg zonder top verdwaalde ik magistraal, om nooit meer de weg terug te vinden.

Waar is toch die liefde gebleven, die zoete geur van bloemen in de lentezon, de honing die mijn dagelijkse troostende  voeding was en die mij opstuwde tot hogere gedachtespinsels en trillingen alsof ik een koolwitje was dat van bloem tot bloem dwarrelde, zonder mij ook maar enige rekenschap te hoeven of kunnen geven van het waarom.

Af en toe denk ik met, een soms weemoedig maar ook vaak hoopgevend verlangen, aan deze heldere inspirerende onthulling, die zich aandiende die nacht terwijl ik langs die brede rivier plaats nam en de wolken uiteendreven  en de maan het water uitbundig verlichtte. Korte tijd put ik daar nu dan weer moed en energie uit om verder te zwemmen in dan de ene richting en dan weer een andere tot het volgende onontkoombare obstakel oprijst Tot dat ogenblik in de waan dat een verlossende catharsis zich over mij zal uitstorten als een gewelddadige warme waterval, die mij geheel schoon zal spoelen en licht als een veertje zal maken, zodat de wind mij omhoog blaast tot in het hoogste punt van de zenit. Helaas blaast de wind zonder doel in het rond en gooit mijn woorden door elkaar.

Eens, echter, zal het mij lukken tot grotere hoogte te stijgen en zwevend het aardse beneden mij te laten, zo blijf ik vasthouden.

levenswijsheid

 

Zo langzamerhand grossier ik in helden. De laatste maanden heb ik er weer een held bij, te weten Alvin Lee, inmiddels helaas veel te jong overleden. Met zijn band Ten Years After schreef en speelde hij decennia lang een heel eigen Blues Rock met vaak fantastische teksten. Zojuist speelde mijn favoriete album van deze band op de platenspeler, A Space In Time, hun zesde album, uitgebracht in augustus 1971. Ik ben dan nog net tien jaar oud. In 1973 komt het album Recorded Live uit, dat ik leen bij de plaatselijk platen uitleen en een week lang draai. Het is mijn eerste kennismaking met Ten Years After en Alvin Lee en ik heb daarna nog enkele lp’s van hun geleend op hetzelfde adres. Alleen, een oude blues gitarist heeft het ooit zo verwoord: om van de blues te kunnen houden moet je geleden hebben, flink geleden. Uiteraard vind ik op twaalf jarige leeftijd dat ik flink lijd, maar de tijd gaat mij leren dat dat onzin is. Inmiddels, enkele decennia later, ben ik onverwachts uitgegroeid tot een enorm blues liefhebber. Inmiddels heb ik dan ook negen oude albums, uit de begintijd, van Ten Years After in mijn platenkast staan, of eerder naast mijn platenspeler, want er gaat geen dag voorbij zonder deze vier blues rockers. Zojuist viel mij weer de volgende regels uit Over The Hill op:

 

I got too much to loose,

no one can fill my shoes.

 

Dit lijkt mij een heel goede instelling en levenswijsheid. Niet het defaitistische nothing to loose van de no future periode uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, maar ik mag er zijn, ik doe er toe en dat wat ik heb is kostbaar en de moeite waard. Het gaat hier vooral om immaterieel bezit zoals creativiteit, liefde, spirituele ontwikkeling, intelligentie en al die andere verworvenheden die het leven de moeite waard maken. Nog mooier is het wanneer je daarnaast een fijn leven hebt buiten je zelf. Voor iedereen is dat weer anders. Voor de één is dat (veel) vrienden, een fijn huis om in te wonen, leuke bezigheden of wandelen in de natuur op zonnige dagen, voor de ander een leuke baan, vrouw en kinderen, sporten en noem maar op. Je kunt de lijst net zo lang maken als jezelf wilt, maar het is belangrijk dat je het goed met jezelf kunt vinden innerlijk, vertrouwen kunt hebben en plezier beleeft aan de dingen die zich voordoen.

 

 

 

 

wolfmaan

 

De avond van 13 januari 2025 was de Wolfmaan, ook wel “Wolf Moon”, de eerste volle maan van het jaar zichtbaar. De naam is oa ontstaan in Indiaanse folklore, omdat het de tijd symboliseert dat wolven tijdens de wintermaanden huilden van honger buiten dorpen, en men dacht dat er dan meer wolvengehuil te horen was dan in de rest van het jaar bij volle maan.

In spirituele tradities wordt de Wolfmaan vaak gezien als een krachtige tijd voor introspectie, vernieuwing en het aanboren van iemands innerlijke kracht. Het vertegenwoordigt een periode van naar binnen kijken en het omarmen van onze oerinstincten en het opnieuw verbinden met onze wilde, authentieke natuur. Net zoals wolven bekend staan om hun intuïtie, loyaliteit en vermogen om door duisternis te navigeren, moedigt de energie van de Wolfmaan ons aan om in de diepten van onze psyche te duiken en onze intuïtieve wijsheid aan te boren. Daar deze maan bij het sterrenbeeld Kreeft hoort, waar het overigens pas morgen in terecht komt – de maan staat vanavond in het sterrenbeeld Tweeling – is het ook verbonden met onze emoties en de verankering en de acceptatie in onszelf ervan. Terug in onze kracht moedigt het aan tot persoonlijke groei en loslaten van niet langer dienende patronen, angsten onder ogen te zien en moedig voorwaarts te gaan op ons pad.