wat zal ik zeggen

 

Het is een heldere, maar maanloze, rustige nacht nu schipper Briny vanaf de brug met zijn verrekijker omhoog tuurt naar het diep diep donkerblauwe uitspansel boven hem. En zoals hij dit wel vaker doet denkt hij daarbij : eens kijken of ik God kan zien. Terstond realiseert hij zich ook weer de dwaasheid van deze gedachte.

Toch, er is een oud gezegde – dat ik helaas niet heb kunnen plaatsen of dateren – dat ik tegenkwam in een boek van de hand van Aniela Jaffé over het werk van Carl Gustaf Jung dat luidt:  de eerste slok uit de beker der kennis scheidt de mens van God, maar op de bodem wacht God op degene die hem zoekt. In het onderhavige geval een zoektocht die al mijn hele leven voortduurt.  Bovendien valt het zoeken naar God wat mij betreft samen met de eeuwige en steeds weer terugkerende zoektocht naar de ultieme waarheid, waarmee niet op voorhand al gezegd is dat dat hetzelfde is. In mijn voorlaatste blog bestuiving verkende ik het veld van het onbewuste als God, waarbij God en het onbewuste op een voor de mens onkenbaar niveau, twee verschillende grootheden zullen blijken te zijn.

Op dit moment dwalen mijn gedachten af naar Socrates en zijn laatste slokken uit de beker met gif.  Het zal die beker zijn. Tijdens een van de apogeums van waarheidsliefde, die mijn leven tot nu toe rijk is, kreeg ik de op dat moment net uitgegeven verzamelde werken van Plato in een nieuwe, Belgische, vertaling.  Helaas zijn al mijn pogingen dit lijvige werk volledig te doorvorsen tot nu toe gestrand in de vertaling waarbij gepoogd is dicht bij de stijl en vorm van de originele teksten te blijven, wat een voor mij onleesbare stijl heeft opgeleverd. Een van de teksten die ik wel verslonden in die dagen heb bevat die over het vermeende leven van de, ook alweer vermeende Socrates. Waar ben ik deze onzekerheid omtrent het wel of niet bestaan hebben van een spirituele grootheid eerder tegengekomen? Opgetekend door een van zijn studenten, de niet geheel onbekende, mag ik hopen, Plato, rijst de vraag wie er aan het woord is in Plato’s teksten Apologie en Symposium. Socrates’ bijnaam in die dagen was de horzel van Athene. Ergens in mijn achterhoofd hoor ik weer de stem van dat andere genie, Eric Idle, zeggen: “need I say more? wink, wink”.

Terug naar die tijd van getrouwe waarheidsliefde, het was de aanvang van de jaren tachtig van de vorige eeuw,  dat mijn interesse in Socrates en zijn methode om medeburgers in Athene op een, minstens intellectueel doortrapt te noemen, wijze van redeneren, van hun zelfverkozen voetstuk af te brengen, die een zeker dorst naar kennis en omtrent filosofie deed ontvlammen. ‘s Nachts zwierf ik door de grote stille donkere eenzame binnenstad,  langs de grote rivier die haar doorsneed  en had daar mijn talloze gedachtewisselingen met God. Voor een jonge knul, die door zijn ouders nauwgezet en onophoudelijk was opgevoed in het atheïstische gedachtegoed van de moderne heiden, was dit een ontzagwekkende, numineuze stap.

Helaas weet ik 45 jaar na dato nog steeds niet wie of wat God is, als er al iets bestaat dat die naam dragen kan. In weerwil van alle mensen die ik persoonlijk gekend heb, die, net als de vele teksten handelend over dit enigma die ontkennen dat er zoiets als een God is, én ondanks alle verwoede pogingen mijnerzijds in dezelfde richting, heb ik nog steeds een rotsvast vertrouwen in God, of in ieder geval zijn aanwezigheid. Of het nu Tao is, de één of andere heilsleer of de momenten dat Jung deze discussie aanstipt in één van zijn vele gebundelde essays, het blijft mij bovenmatig fascineren. Echter, het is veel meer dan een intellectuele oefening, het is mijn diepste en meest innerlijke, onverwoestbare drive, die mij beurtelings door dit leven sleept, voortduwt, trekt, schopt, mij soms koestert en dan mijn wonden verzorgd. Ik heb geen idee waarom dit zo is en of er nog veel of weinig lotgenoten rondwaren in deze dagen van wat wel “the Almigthy information highway” wordt genoemd.

Zoals ik als jongeling dagen of nachten lang mijn onophoudelijke vriendschappelijke dialectische dialogen beleefde met God, zo heb ik nu een periode achter de rug, die veel te lang heeft geduurd, waarin ik ruzie met God maakte en met hem in debat trad en met hem streed alsof ik Job zelf was, overigens zonder zelf Job’s reine en zuivere natuur te bezitten. Hoewel ook ik mij dagelijks overgeef aan een niet aflatende en te stoppen stroom van kritiek op de manier waarop mijn buren en mede stadgenoten hun tijd trachten te verdoen.  Meermalen hoorde ik om mij heen goedbedoelde waarschuwingen en raadgevingen, dat ik mijn strijd met God, alleen tegen het gehele universum en de hele schepping, nooit zou  gaan winnen. Dat leek en lijkt mij zelf ook een open deur. Helaas een open deur die ik graag dagelijks meermalen in een hoge frequentie dicht smeet.

Na deze eenzame en niet geziene helletocht heb ik nu sinds enkele dagen het gevoel of de idee dat ik wat dit betreft in rustiger vaarwater terecht gekomen ben. Men moet mij nog steeds, op geen enkele wijze, geen strobreed in de weg leggen, maar met inachtneming van de persoonlijke voorwaarden, grenzen en mogelijkheden, die ik gelukkig ontdekt heb, zijn er momenten dat ik zo nu en dan een bleek schijnsel ontwaar aan het eind van deze duistere en toch wel benauwende tunnel waartoe mijn leven verworden is.

Staand op mijn balkon in de vroege ochtend, kijkend naar de vele sterren met mijn verrekijker, in deze stad die nooit slaapt en toch niks anders wil, heb ik dan zo mijn momenten dat ik denk dat het mogelijk moet zijn God te zien. Wie weet ga ik dan weer van Hem of Haar houden, zoals ik dat in de eerste levensfase van dit, toch wel zwaar getroebleerde, leven deed. Hopelijk kom ik nog tot een verlossend inzicht en oordeel voordat het te laat is en het moment waarop ik mijn pijp – iedere authentieke zeeman rookt toch een pijp lijkt mij –  aan Maarten geef en wie weet, eindelijk God zal ontmoeten. Wat zal ik zeggen?