Een zoektocht

 

 

Er was er eens een kleine grijze spitsvondige muis. Daar hij het in zijn nest niet naar zijn zin had trok hij er op uit. Nadat hij zijn holletje verlaten had en de nodige gevaren had moeten trotseren, kwam het op een dag een kat tegen. Het met kat bedoel ik ook echt KAT. Alleen het muisje zag het niet, het zag alleen de schoonheid van de kat. Ze had een diep zwarte glanzende vacht, was jong en had intens groene grote ogen die onderzoekend de wereld in keken. Op één van hun nachtelijke zoektochten kwamen ze elkaar tegen. Al was het muisje vel over been, dacht de kat mmmm, wat een lekker hapje, dat muisje. Haar hypnotiserende ogen zogen het muisje als het ware haar leven in. En wat nooit had mogen gebeuren gebeurde toch, het muisje voelde zich enorm aangetrokken tot de grote zwarte kat. Maar de kat wilde alleen spelen en alleen háár spel. Na een tijdje werd het spel minder leuk en minder leuk. Het muisje trok zich terug in zijn holletje dat hij onlangs gevonden had en wilde er niet meer uit. De kat wist zijn holletje helaas te vinden en zo nu en dan ging zij voor zijn holletje liggen spinnen en keek met haar grote groene lichtgevende ogen naar binnen, tot het muisje, overmand door verlangen voorzichtig naar buiten kroop om haar te begroeten. Nooit, nooit een goed idee. Uiteindelijk, nadat het spelletje steeds wilder en gemener werd, liet de felle kat het muisje voor dood achter in de ingang van zijn holletje.

Het muisje werd gevonden, verzorgd en knapte op. Hij trok opnieuw de wijde wereld in, op zoek naar geluk. Nooit een goed idee. Het leven werd er zeker niet makkelijker op, maar het muisje leeft nog steeds, veel en veel langer dan verwacht werd.

Voor iedere probleem is een oplossing, alleen is oplossing vaak een andere dan die je zocht, maar is het dan nog een oplossing? Problemen leiden tot vragen, vragen tot leiden via onderzoek tot antwoorden. Antwoorden die weer tot nieuwe vragen leiden en vaak nieuwe problemen opwerpen.

Volwassen worden en op eigen benen leren staan, Carl Jung noemt dit het proces van individuatie, is iets waar we alleen aan beginnen uit noodzaak, volgens hem. Het is het spel van vraag en antwoord dat tot in de oneindigheid gespeeld moet gaan worden. Soms lijkt het misschien een beter idee veilig in je holletje te blijven en de wereld om je heen de wereld buiten je te laten.

wat zal ik zeggen

 

Het is een heldere, maar maanloze, rustige nacht nu schipper Briny vanaf de brug met zijn verrekijker omhoog tuurt naar het diep diep donkerblauwe uitspansel boven hem. En zoals hij dit wel vaker doet denkt hij daarbij : eens kijken of ik God kan zien. Terstond realiseert hij zich ook weer de dwaasheid van deze gedachte.

Toch, er is een oud gezegde – dat ik helaas niet heb kunnen plaatsen of dateren – dat ik tegenkwam in een boek van de hand van Aniela Jaffé over het werk van Carl Gustaf Jung dat luidt:  de eerste slok uit de beker der kennis scheidt de mens van God, maar op de bodem wacht God op degene die hem zoekt. In het onderhavige geval een zoektocht die al mijn hele leven voortduurt.  Bovendien valt het zoeken naar God wat mij betreft samen met de eeuwige en steeds weer terugkerende zoektocht naar de ultieme waarheid, waarmee niet op voorhand al gezegd is dat dat hetzelfde is. In mijn voorlaatste blog bestuiving verkende ik het veld van het onbewuste als God, waarbij God en het onbewuste op een voor de mens onkenbaar niveau, twee verschillende grootheden zullen blijken te zijn.

Op dit moment dwalen mijn gedachten af naar Socrates en zijn laatste slokken uit de beker met gif.  Het zal die beker zijn. Tijdens een van de apogeums van waarheidsliefde, die mijn leven tot nu toe rijk is, kreeg ik de op dat moment net uitgegeven verzamelde werken van Plato in een nieuwe, Belgische, vertaling.  Helaas zijn al mijn pogingen dit lijvige werk volledig te doorvorsen tot nu toe gestrand in de vertaling waarbij gepoogd is dicht bij de stijl en vorm van de originele teksten te blijven, wat een voor mij onleesbare stijl heeft opgeleverd. Een van de teksten die ik wel verslonden in die dagen heb bevat die over het vermeende leven van de, ook alweer vermeende Socrates. Waar ben ik deze onzekerheid omtrent het wel of niet bestaan hebben van een spirituele grootheid eerder tegengekomen? Opgetekend door een van zijn studenten, de niet geheel onbekende, mag ik hopen, Plato, rijst de vraag wie er aan het woord is in Plato’s teksten Apologie en Symposium. Socrates’ bijnaam in die dagen was de horzel van Athene. Ergens in mijn achterhoofd hoor ik weer de stem van dat andere genie, Eric Idle, zeggen: “need I say more? wink, wink”.

Terug naar die tijd van getrouwe waarheidsliefde, het was de aanvang van de jaren tachtig van de vorige eeuw,  dat mijn interesse in Socrates en zijn methode om medeburgers in Athene op een, minstens intellectueel doortrapt te noemen, wijze van redeneren, van hun zelfverkozen voetstuk af te brengen, die een zeker dorst naar kennis en omtrent filosofie deed ontvlammen. ‘s Nachts zwierf ik door de grote stille donkere eenzame binnenstad,  langs de grote rivier die haar doorsneed  en had daar mijn talloze gedachtewisselingen met God. Voor een jonge knul, die door zijn ouders nauwgezet en onophoudelijk was opgevoed in het atheïstische gedachtegoed van de moderne heiden, was dit een ontzagwekkende, numineuze stap.

Helaas weet ik 45 jaar na dato nog steeds niet wie of wat God is, als er al iets bestaat dat die naam dragen kan. In weerwil van alle mensen die ik persoonlijk gekend heb, die, net als de vele teksten handelend over dit enigma die ontkennen dat er zoiets als een God is, én ondanks alle verwoede pogingen mijnerzijds in dezelfde richting, heb ik nog steeds een rotsvast vertrouwen in God, of in ieder geval zijn aanwezigheid. Of het nu Tao is, de één of andere heilsleer of de momenten dat Jung deze discussie aanstipt in één van zijn vele gebundelde essays, het blijft mij bovenmatig fascineren. Echter, het is veel meer dan een intellectuele oefening, het is mijn diepste en meest innerlijke, onverwoestbare drive, die mij beurtelings door dit leven sleept, voortduwt, trekt, schopt, mij soms koestert en dan mijn wonden verzorgd. Ik heb geen idee waarom dit zo is en of er nog veel of weinig lotgenoten rondwaren in deze dagen van wat wel “the Almigthy information highway” wordt genoemd.

Zoals ik als jongeling dagen of nachten lang mijn onophoudelijke vriendschappelijke dialectische dialogen beleefde met God, zo heb ik nu een periode achter de rug, die veel te lang heeft geduurd, waarin ik ruzie met God maakte en met hem in debat trad en met hem streed alsof ik Job zelf was, overigens zonder zelf Job’s reine en zuivere natuur te bezitten. Hoewel ook ik mij dagelijks overgeef aan een niet aflatende en te stoppen stroom van kritiek op de manier waarop mijn buren en mede stadgenoten hun tijd trachten te verdoen.  Meermalen hoorde ik om mij heen goedbedoelde waarschuwingen en raadgevingen, dat ik mijn strijd met God, alleen tegen het gehele universum en de hele schepping, nooit zou  gaan winnen. Dat leek en lijkt mij zelf ook een open deur. Helaas een open deur die ik graag dagelijks meermalen in een hoge frequentie dicht smeet.

Na deze eenzame en niet geziene helletocht heb ik nu sinds enkele dagen het gevoel of de idee dat ik wat dit betreft in rustiger vaarwater terecht gekomen ben. Men moet mij nog steeds, op geen enkele wijze, geen strobreed in de weg leggen, maar met inachtneming van de persoonlijke voorwaarden, grenzen en mogelijkheden, die ik gelukkig ontdekt heb, zijn er momenten dat ik zo nu en dan een bleek schijnsel ontwaar aan het eind van deze duistere en toch wel benauwende tunnel waartoe mijn leven verworden is.

Staand op mijn balkon in de vroege ochtend, kijkend naar de vele sterren met mijn verrekijker, in deze stad die nooit slaapt en toch niks anders wil, heb ik dan zo mijn momenten dat ik denk dat het mogelijk moet zijn God te zien. Wie weet ga ik dan weer van Hem of Haar houden, zoals ik dat in de eerste levensfase van dit, toch wel zwaar getroebleerde, leven deed. Hopelijk kom ik nog tot een verlossend inzicht en oordeel voordat het te laat is en het moment waarop ik mijn pijp – iedere authentieke zeeman rookt toch een pijp lijkt mij –  aan Maarten geef en wie weet, eindelijk God zal ontmoeten. Wat zal ik zeggen?

reden tot lijden

 

 

Alle heilsleren dezer aarde waar ik tot nu toe mee in aanraking ben gekomen beloven bevrijding van lijden, mits deze leerstellingen nauwgezet worden gevolgd. Allen zien als een van de belangrijkste offers in dienst van deze bevrijding de beteugeling van verlangen, het indammen van overvloed. Wat ik hiervan geleerd heb is dat dit laatste is mijns inziens een van de belangrijkste oorzaken van lijden is.

liefde

Als man – de liefde van vrouwen is voor zover deze afwijkt van zo’n ander kaliber, dat ik deze hier graag buiten beschouwing laat – heb je nog steeds meerdere keuzes in de westerse wereld, om de liefde die je hebt te richten op verschillende doelen. Daarbij leert de ervaring dat het liefhebben van meerdere voorwerpen of onderwerpen al gauw tot onoverbrugbare spanningen leidt. Enerzijds omdat passies vaak een enorme hoeveelheid tijd, energie en concentratie vragen. Anderzijds omdat het object of voorwerp van de liefde meestal geen genoegen neemt met een gedeelde , laat staan tweede plaats.

Wat zijn dan die keuzes? Laten we volledigheidshalve beginnen met de meest superficiële zoals geld, carrière en bezittingen om het bezitten. Een man kan echter ook gegrepen worden door een interesse wat dan soms uitmondt in passie voor kunst, wetenschap, muziek of sport. Dit leidt vaak al als vanzelf tot een wat monomane instelling. Echter, een man kan ook totaal in beslag worden genomen door de liefde voor een vrouw of tot God. Hierin blijken zich  ook weer verschillende mogelijkheden voor te doen. Ik zou hier niet direct willen spreken van keuzes, al wordt het dat uiteindelijk wel wanneer de onderhavige liefde zich nestelt in het hart of brein van de man in kwestie.

Een man zijn liefde voor een vrouw of man kan seksueel ingegeven zijn, of een andere uiterlijke reden bezitten. Hij kan dan zelfs besluiten zich voorgoed of zo lang mogelijk aan die ene vrouw te binden in een huwelijk. Deze liefde is er een die we werelds zouden kunnen noemen. Op internet zag ik een definitie van hoofse liefde die dit als kenmerk omschreef. De hoofse liefde is mijn inziens een heel andere en wel een liefde die hier vooral bekend is uit de middeleeuwen en toen ook zijn hoogtijdagen leek te beleven.

De hoofse liefde van een man is mijns inziens de liefde tot een vrouw – ik ben nog nooit hoofse liefde van man tot man tegengekomen, of het moet de Griekse eros zijn –  ontdaan van de meer aardse belevingen. Het was de liefde van een ridder voor een, vaak getrouwde jonkvrouw. Het object van de  liefde is bij voorkeur om een of meerdere reden enigszins of totaal onbereikbaar. Het, noodzakelijkerwijze soms, afzien  van de seksuele component van de liefde, of in ieder geval de coïtus brengt een verhoogde, gekanaliseerde en gesublimeerde libido met zich mee die uiteindelijk alle niveaus waarop deze liefde zich afspeelt penetreert en of assimileert. Deze liefde kent natuurlijk vele conventies , maar wat toch wel het meest opvalt is de hoegenaamd onbaatzuchtigheid ervan, al vermoed ik dat ook daar grenzen aan zitten. Deze liefde komt vooral tot ons, gewone stervelingen, in een schier onuitputtelijke hoeveelheid poëzie, door vele eeuwen heen. Bekende dichters zijn natuurlijk William Shakespeare en sir Philip Sydney, maar eer zijn er teveel om op te noemen. Bekend zijn natuurlijk de verhalen over  Tristan en Isolde, Romeo en Julia en Lancelot en Guinevere. Dichten is natuurlijk dé kunstzinnige uiting van passie door liefde. Zie ook bijvoorbeeld het Hooglied van Salomo en de Psalmen van Koning David.

De liefde tot God en Zijn liefde lijken zich meestal op een heel ander niveau af te spelen. Het is een liefde die net als alle andere vormen wereldwijd verbreid is, al zal menigeen daar anders over denken, omdat zijn of haar God de enige is en niet gedeeld kan worden met een volk of religie met een andere naam. Anderzijds is de gedachte dat God niet bestaat alom tegenwoordig. De liefde tot God is enerzijds de profane, die van de gemeente of kudde en anderzijds de sacrale van priesters en de vele andere hoedanigheden van ingewijden. Bekend voorbeeld van alles opofferende liefde tot God is natuurlijk de Bijbelvertelling van Johannes de Doper en zijn devotie, wat ook liefde is, tot Jezus. Deze liefde gaat eveneens met grote offers gepaard, al is het offer hier waar het om draait en niet het gevolg van de liefde zoals bij bijvoorbeeld hoofse liefde. Het offer dat Jezus bracht is een voorbeeld tot waar ultieme liefde toe kan leiden. Om reden van beknoptheid wil ik het hier even bij laten., maar ik hoop hier op terug te komen.

de groep

Een groep wordt omschreven als een verzameling van twee of meer personen die met elkaar omgaan omdat zij zichzelf of een deel van zichzelf in elkaar herkennen of omdat zij een gemeenschappelijk doel nastreven. Niet onbelangrijk is de idee of het gevoel bij de groep te horen en door haar geaccepteerd te worden. De groep als geheel heeft een identiteit in haar perceptie en in de perceptie van de anderen buiten de groep.

Deel hebben aan een groep wordt door de groep zelf, maar ook in het algemeen gezien als het hoogste goed. Het opereren met als oogmerk het gemeenschappelijke doel en samen gaan voor dat doel en daarvoor offers brengen wordt gezien als karakter vormend.

Een voetbal team is misschien een mooi voorbeeld. Een team wordt wel omschreven als de hechte samenwerking van een geheel waarbinnen de kwaliteiten van de, in dit geval individuele spelers, gewaardeerd worden voor wat ze zijn, als nut voor het grotere geheel en het streven van de groep, het team. Wat samenvalt met zoveel mogelijk wedstrijden winnen en zo hoog mogelijk in de competitie waarin men speelt eindigen, in ieder geval wanneer er sprake is van betaald voetbal.

In onze collectieve maatschappij is het individu ondergeschikt aan het belang van de staat, kerk, vereniging of het bedrijf waarbinnen men zich, onverhoopt soms, mag bevinden. Voor andersdenkenden is niet of nauwelijks plek. Een eigen standpunt innemen of visie ontwikkelen wordt al gauw als bedreigend voor het collectief ervaren en moet toch eigenlijk wel de kop in worden gedrukt. Goedschiks of kwaadschiks. Ook binnen een vriendkring zie je deze dynamiek.

Een werkelijk authentieke persoonlijke individuele ontwikkeling is een zich losscheuren van de omgeving of het web waarin men zich bevindt. Het is een strijd die nooit gestreden lijkt en een eenzame weg, wanneer men zich niet bevindt in een groep gelijkgestemde individuen.

Veel mensen in deze tijd hebben een aangeboren gen lijkt het wel voor saamhorigheid en het ondergeschikt maken van de eigen belangen, de individuele ontwikkeling in dit geval, en zijn bereidt zich vergaande te conformeren aan de heersende mores. In ieder geval tot de bom een keer barst. Soms blijkt het genoeg te zijn en maakt iemand of een groep zich los van het grotere geheel, wat kan leiden tot kafkaiaanse situaties met soms ernstige, bedreigende, situaties. Niet in de laatste plaats voor de opstandeling(en).

Het ideaal van de groep, de vrijheid van allen of in ieder geval het grotere of hogere algemeen belang kan dus ook als zeer benauwend, onvrij en beperkend worden ervaren. Het grotere goed ligt echter voor sommige, zo niet velen, toch in het nastreven van persoonlijke idealen, al dan niet binnen of buiten het geheel van conventies of door anderen overeengekomen afspraken. Het lijkt of het ideaal van de groep langzaam afbrokkelt of dat de Inclusiviteit van groepen steeds beperkter wordt.

verlangen II

Verlangen dan, is in mijn geval nog al eens óf de wortel van hebzucht óf de spruit ervan en leidt bedroevend vaak tot frustraties en uiteindelijk woede. Ik bedoel dit niet in het licht van de dualistische morele gespletenheid van het westerse denken, maar als ervaringsfeit. Ik ken zowel materialistische verlangens als geestelijke/spirituele verlangens. Het zijn verborgenheden die lokken.

Het is het ervaren dat er iets ontbreekt. Een gedachte, een object, een idee of voorwerp wordt ineens ontzettend belangrijk en mag en kan niet gemist worden. Ik moet en zal het hebben en het liefst direct. De wens moet vervuld worden of deze nu binnen het bereik ligt of niet, maakt niet uit. Het lijkt wel of er een bewustzijnsvernauwing plaats vindt, alsof ik blind word voor al het andere dat er wel is. Niets is meer belangrijker dan het object, de persoon of de idee waar het verlangen naar uit gaat. Zelfs het gevoel speelt een rol. Was ik eerst nog blij en of tevreden, met het nieuwe inzicht is dat alras verdwenen.

Er zijn verschillende verlangens. Zo zijn er seksuele, materiële, spirituele en  religieuze verlangens bijvoorbeeld. Komen zij allemaal uit dezelfde bron, hetzelfde (on)genoegen voort of is er verschil tussen bijvoorbeeld spirituele en materiële behoeften? Ik kan mij voorstellen dat spirituele verlangens van de ziel komen en seksuele verlangens meer lichamelijk gebonden zijn. Dat hevig verlangen naar die vrouw of man die je een keer bent tegengekomen meer een verlangen van het hart is. Waar komen materiële verlangens dan vandaan? Dat nieuwe jasje, die, misschien wel tweedehands schoenen die er zo ontzetten cool uit zien of juist heel lekker zouden kunnen zitten, waar komt dat schijnbare gemis dan vandaan? Een theorie die ik vandaag hoorde is dat het de zoektocht terug naar de moederschoot is, naar een gevoel van geborgenheid.

Volgens de Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud, geboren voor 1900, zijn alle verlangens terug te voeren zijn op een levens drift of een doodsdrift. Carl Gustaf Jung, korte tijd zijn leerling, dacht dat er vier universele verlangens zijn, die gekoppeld aan de verschillende archetypes die de structuur uitmaken van het collectief onbewuste resulteren in verschillende types met hetzelfde verlangen, maar ieder met een eigen invulling.

Zo zijn er de zoekers naar het paradijs, naar het ultieme goede en perfecte leven. De wijze bijvoorbeeld denkt dat deze staat te bereiken is door op kennis te reflecteren en via logos een hoger zelf te vinden, of juist, zoals Alan watts betoogt, de weg van de Tao te gaan, jezelf te vinden en te worden. De rebel is een ander soort wereldverbeteraar, hij of zij gelooft in een vorm van strijd, revolutie, het omver gooien van heilige huisjes. Hij of zij schopt zichzelf als het ware vooruit achter zijn of haar verlangen aan. Dit in tegenstelling tot wat de gewone man wordt genoemd. Zijn motto is bekend: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. De groep is het hoogste goed, dat is waar hij of zij bij wil horen. De kunstenaar zoekt zijn heil in het scheppen om een idee van controle te krijgen.

Is dat het dan? Is verlangen dan niet meer dan een vorm van controle krijgen over iets dat er (nog) niet is? Is de vervulling van de wens en het tijdelijke gevoel van geluk dat erbij hoort dan (slechts) de idee van controle hebben? Alleen, denk ik dan, wat blijft er over nadat controle een feit is? Juist er komt een nieuw verlangen! Control is dan een verlangen! De zo hoog in het vaandel staande tevredenheid van vooral de iets oudere generaties, zo lijkt het tenminste, is ook iets tijdelijks. Blijkbaar is er een andere motor die er voor zorgt dat we blijven verlangen naar nieuwe, ander horizonten.

pancreas

Laten we dit woord eens opsplitsen. Het valt duidelijk uiteen in de woorden pan en creas. Pan vertaald vanuit het Latijn betekent alles of alles omvattend en creas vertaald vanuit het Latijn als creëren. De woorden los van elkaar gebruikt betekenen vanuit het Latijn vertaalt: maak een pannetje. Maar het meest bekend is Pan waarschijnlijk uit de Griekse en Latijnse mythen over hem, zie mijn eerder blog over Pan. Hier echter kunnen we pancreas met enige goede wil lezen als ‘alles creëren’.

Wanneer ik een stap verder ga in mijn analogisch denken of zo je wilt analogisch creëren, kom ik uit bij Prometheus. Ik zal uitleggen hoe ik die stap genomen heb. Prometheus steelt het vuur, de creatie van de Goden van de Olympus van diezelfde Goden om het aan de mensen te geven. In sommige oude Griekse mythen is Prometheus zelfs de schepper van de eerste mensen. Hij creëerde de mens uit klei.

Het stelen van vuur van de Goden is naar mijn idee hetzelfde als creëren, iets maken vanuit het niets. Vuur ontstond vroeger uit het op elkaar slaan van kiezelstenen, wat een vonk gaf waarmee personen die daarin bedreven waren vuur konden maken. Vuur is het licht van de ziel van de mens, de universele vonk ons al dan niet gegeven door God, of omgekeerd, het vuur in de mens ís zijn ziel. Maar er is nog iets.

Als straf voor zijn daad zorgen de Goden bij monde van Zeus dat Prometheus vastgeketend wordt aan een berg in de Kaukasus alwaar de adelaar Ethon zijn lever uit het lichaam van Prometheus komt pikken en die dan vervolgens opeet. In de nacht groeit de lever weer aan, waarna de adelaar in de ochtend terugkomt om de lever opnieuw uit te pikken en op te eten. Dit gaat door totdat Herakles als een van zijn twaalf werken, met goedkeuring van Zeus, de adelaar dood en de als eeuwig bedoeld straf eindigt. Is het een heel grote stap om de lever te vervangen door de alvleesklier, een gelijksoortig orgaan?

Pancreatitis of alvleesklier ontsteking (vuur) kan ontstaan door onder andere overmatig alcoholgebruik (het vuurwater). Deze ontsteking kan zich herhalen wat kan leiden tot chronische alvleesklier ontsteking. Ook kan het in sommige gevallen leiden tot pacreascarcinoom. Een deel van de alvleesklier wordt dan soms operatief verwijderd. De levensverwachting daarbij moet niet al te hoog worden ingeschat. De idee van alles creëren wordt dan helaas een afnemen van en uiteindelijk doven van het vuur.

concupiscentia en superbia

Volgens kerkvader, theoloog en filosoof Sint Augustinus zijn de twee verderfelijke zondes concupiscentia en superbia de grootste hindernissen voor de mens om waardig te zijn in de ogen van God en om zalig te worden. Concupiscentia het zondige verlangen naar welke vorm van seks dan ook en superbia oftwel hubris, de zonde van hoogmoed. De ware christen moet leren kuis en ootmoedig te zijn. Concupiscentia komt later bij Freud terug als seksuele begeerte en bij Adler als het verlangen naar macht, de machtswil. Wat is het toch dat we ons juist tot die twee in een slecht daglicht staande verlangens aangetrokken voelen?

De trend zet zich door heden ten dage op zowel het materiele als het immateriële vlak. Je hoeft maar vijf minuten op sociale media rond te hangen op internet om te zien wat ik bedoel. Maar is het erg? Is het verwerpelijk?  Dat hangt toch heel veel af van het standpunt van waaruit je kijkt, je insteek. Uiteraard valt het waarschijnlijk het meest te billijken vanuit het gezichtspunt van de zondaar, al zijn er, denk aan Augustinus zelf, genoeg zondaars die het heel moeilijk hebben met hunkeringen. Anders wordt het vanuit het tegenoverliggende standpunt, van bovenaf gezien als je wilt. Vanuit de spiritueel geïnspireerde wijze is het iets dat de weg naar verlichting bemoeilijkt. De botsing tussen het individu en zijn omgeving wordt op grotere hoogte sterker gevoeld, blijkbaar. De lagere persoonlijke voorkeuren wegen niet op tegen de hogere levensbeschouwelijke ideeën zo lijkt het.

Het lijkt mij duidelijk dat je energie, aandacht, moed en wat dies meer zij slechts een keer tegelijk kan inzetten. Het is moeilijk zo niet onmogelijk twee meesters te dienen zegt men wel. Ik kan mij voorstellen dat het een het ander in de weg kan staan, maar de keuze is aan een ieder voor zich natuurlijk. Zolang je er maar niemand mee kwetst of pijn doet. Het klinkt misschien heel stichtelijk, deze blog, maar denk er eens over na.