
Lang geleden was er een mooi bos. Het was er, zoals het een goed bos betaamd, niet te donker en niet te licht. Op zonnige dagen schenen de zonnestralen tussen de bladeren en de stammen heen omlaag en kon je de planten en dieren zien groeien en bewegen. Het was een mooie plek voor een koning om te wonen en werd gewerkt aan een vestingstad met een citadel. Een bos blijft een bos en een koning moet behalve kunnen heersen ook beschermd kunnen worden.
Men begon met het bouwen van de citadel omdat dat het juiste begin leek. Het werd een heel mooie citadel, slank, maar met volume, wit gepleisterde muren, een mooie poort die in een boog naar boven liep. De deur die tegen een stootje moet kunnen zou gemaakt worden van het stevige dikke hout van een paar flinke eiken in het bos er omheen. Verder had de citadel vier torentjes met daarop, net als op het middelste dak, in totaal vijf gouden bollen met een klein spits erop, bijna als een tranen.
Helaas, zoals wel vaker in de wereld, keerde het tij. Er braken grotere en kleinere natuurrampen uit, het werd duister, de zon was niet langer zichtbaar in het bos, waar hij voorheen de citadel zo mooi had beschenen en verlicht. Het bos dat langzaam maar gestadig in een jungle veranderde. De bewoners trokken weg, bij zoveel onveiligheid en de koning verdween op mysterieuze wijze, om nooit meer van gehoord te worden. Wilde dieren namen hun intrek in de citadel zonder deur en ongedierte nestelde zich overal waar dat maar mogelijk was. Het witte pleisterwerk werd grijs en daarna bijna zwart de gouden bollen werden dof en grauw.
Vele decennia, het leken wel era’s, later ontdekte een stoutmoedige zwervende doler als bij toeval de citadel. Het regende hard, heel hard, zoals het inmiddels dat iedere dag deed. De doler nam zijn intrek onder de poort om wat te rusten en op te drogen. ook de wilde dieren en het gekruipsel hadden de citadel inmiddels verlaten. De citadel stond er bij als een treurige ruïne en niets deed meer herinneren aan zijn luister en glans van weleer. Spoedig viel de moe gezworven doler in een diepe slaap. En hij werd bezocht door een droom.
De volgende ochtend, het was zachter gaan regenen, brak er voorzichtig een zonnestraal door het zware gebladerde en viel op het gelaat van de slapende doler. Deze opende eerst langzaam een oog en daarna het ander. Hij kon zich niet herinneren dat hij gedroomd had, laat staan wat. Hij stond echter met een verrassende veerkracht op en keek recht in de zon. Zijn ogen fonkelde, het was niet duidelijk welke kleur deze hadden. Hij had een plan. Eerst liep hij een paar keer rond de oude vervallen citadel, terwijl hij haar goed in ogenschouw nam. Toen was zijn besluit genomen. Hij zou hier blijven in deze rustige verlaten omgeving, maar hij zou de citadel opknappen en schoonmaken en de vestingstad er omheen gaan bouwen zodat er geleefd kon worden en er mooie dingen gemaakt konden worden voor wie dat wilde zien. Natuurlijk vond hij dat er ook weer een koning moet komen, maar hij besefte dat die toch echt eerst gevonden moest worden. Vooralsnog stelde hij zichzelf aan als bouwer krijgsheer strijder en begon vol goede moed aan de zware niet te onderschatten klus.

